
Op 10 april 1912 verliet de RMS Titanic de haven van Southampton, Engeland, met als bestemming New York City. De passagiers waren opgedeeld in de 1e, 2e en 3e klas. De derde klas, ook wel steerage genoemd, bestond uit kleine hutten op de onderste dekken van het schip. De meeste passagiers daar waren immigranten, die in de Verenigde Staten een nieuw leven wilden opbouwen. In de tweede klas, waarvan de hutten richting achtersteven bevonden, zaten passagiers die afkomstig waren uit de middenklasse. De tweedeklas hutten van de Titanic waren net zo luxueus als eersteklas hutten van de meeste andere passagiersschepen uit die tijd. De eerste klas van de Titanic was het duurst en meest luxueus. Een aantal schatrijke en zeer prominente mensen reisde in deze klasse naar New York. Onder hen waren de miljonair John Jacob Aster en zijn vrouw, de industrieel Benjamin Guggenheim en de Amerikaanse presidentsadviseur Archibald Butt. De directeur van de White Star Line, Bruce Ismay en Thomas Andrews, verantwoordelijk voor het ontwerp van de Titanic, hadden ook eerste klas hutten.
In de nacht van 14 op 15 april vroor het; de zee was kalm en de lucht was helder. Kapitein Smith had de koers van het schip naar het zuiden bijgesteld vanwege een aantal waarschuwingen voor ijsbergen in het gebied. Eerder die dag had het stoomschip America naar de Titanic geseind dat zich grote ijsbergen in haar koers bevonden, maar om onbekende redenen heeft dit bericht de brug nooit bereikt. ´s Avonds werd naar aanleiding van waarschuwingen van de Mesaba geen actie ondernomen. Om 23.40 uur voer de Titanic langs de zandbanken van Newfoundland en namen de twee matrozen in het kraaiennest een ijsberg waar, die zich recht voor de boeg bevond. Eerste stuurman William Murdoch beval het schip een scherpe bocht naar links te maken, maar een botsing bleek op dat moment onvermijdelijk. De ijsberg schraapte langs de rechterzijde (stuurboord), hierbij werd niet zoals aanvankelijk werd gedacht en wat veel filmmakers suggereren de romp opengereten, maar werd wel de romp over een lengte van ca. 75 meter beschadigd waardoor vijf van de waterdichte compartimenten vol begonnen te lopen. De reden waardoor dit zo snel gebeurde is nog steeds een punt van debat, maar het lijkt er op dat inferieure klinknagels hier een rol in gespeeld hebben. Het gewicht van het water in die vijf compartimenten zorgde ervoor dat de Titanic begon te hellen, waardoor het water over de waterdichte schotten in de andere compartimenten kon stromen. Kapitein Smith beval het schip te stoppen. Na een inspectie van de schade werd het duidelijk dat het schip zou zinken, en kort na middernacht werden de eerste reddingsboten gereed gemaakt.
De eerste reddingsboot, boot 7, ging op 15 april om 00.40 uur te water met 29 mensen aan boord. De Titanic had twintig reddingsboten, die ongeveer twaalfhonderd mensen konden herbergen. Hoewel dit onvoldoende was voor alle opvarenden (ruim 2200), had de Titanic meer boten dan de Britse scheepvaartautoriteit nodig achtte. In die tijd werd het aantal benodigde reddingsboten voorgeschreven aan de hand van het gewicht van het schip, niet aan de hand van het aantal mogelijke passagiers. De passagiers uit de eerste en tweede klassen konden zich makkelijk naar het dek met de reddingsboten begeven, omdat hun hutten vrij hoog in het schip zaten. De derdeklas passagiers moesten een heel gangenstelsel door om boven te komen. De stewards hielden de poorten naar de hogere dekken gesloten totdat er toestemming kwam om de mensen uit de derde klas naar boven te laten. Intussen werd door de marconisten het noodsignaal CQD uitgezonden. Een aantal schepen reageerde hierop - waaronder de Mount Temple, de Frankfurt en Titanic´s zusterschip de Olympic, maar geen van hen was in staat om het schip op tijd te bereiken. De Carpathia van de Cunard Line was het op 93 kilometer het dichtstbij. Cape Race in Newfoundland ontving als enige landbasis de oproep. Er was één schip dat vanaf de Titanic gezien kon worden: de SS Californian; de marconist van dit schip was echter al naar bed, en dus ontvingen de officieren van de Californian niet de CQD van de Titanic. Eén van de marconisten, Harold Bride, stelde voor het nieuwe noodsignaal SOS te gebruiken in plaats van het officiële CQD, omdat dit zelfs door de meest groene marconist onmiddellijk herkend zou worden. Ondertussen waren de meeste passagiers niet van plan de ogenschijnlijk veilige Titanic te verwisselen voor een roeiboot. Daarom werden de meeste reddingsboten halfvol te water gelaten: één van de boten kon veertig mensen opvangen, maar ging met twaalf opvarenden te water. De officieren lieten voornamelijk vrouwen en kinderen van boord gaan; sommigen lieten principieel geen mannen toe in de reddingsboten, andere alleen als er nog ruimte over was. Naar mate het schip verder zonk, begaven meer passagiers zich naar de reddingsboten. Rond 2 uur ´s nachts, toen de gehele boeg onder water stond, waren alle boten op twee na te water gelaten.
Om 2.10 uur helde de Titanic zover naar voren dat de schroeven zichtbaar werden. De twee overgebleven reddingsboten schoven van het dek en dreven weg, en de voorste schoorsteen brak af, waarbij een deel van de brug vernield werd en de mensen in het water verpletterd werden. De mensen die nog aan boord waren renden in paniek naar de achtersteven of sprongen in het water in de hoop een reddingsboot te bereiken. Om kwart over twee viel de elektriciteit uit. Of de Titanic in tweeën gebroken is, is lang een punt van discussie geweest (de conclusie van de toenmalige officiële onderzoekscommissie was dat dit niet het geval was). Nadat het wrak van de Titanic in 1985 gevonden is, werd het de heersende mening dat het schip toch door de bij het zinken optredende krachten is gebroken. De meeste slachtoffers stierven aan onderkoeling. Twee van de te water gelaten reddingsboten (4 en 14) gingen terug om overlevenden te zoeken en redden zes mensen. In de andere boten besloot men niet terug te keren, bang om alsnog te zinken door het enorme aantal mensen dat zou proberen aan te klampen.
De RMS Carpathia arriveerde twee uur nadat de Titanic was gezonken, op de plek van de ramp. De overlevenden uit de reddingsboten werden aan boord gehaald, maar geen van de mensen die te water waren geraakt was nog in leven. Om 8.50 ´s ochtends zette de Carpathia koers naar New York, waar ze op 18 april aankwam. De White Star Line stuurde het schip MacKay-Bennett om de stoffelijke overschotten uit de oceaan te halen. 190 lichamen werden teruggebracht naar Halifax in Nova Scotia, waar een aantal niet geïdentificeerd werden en anoniem begraven in het Fairview Cemetery. De meeste lichamen die niet geïdentificeerd werden kregen echter een zeebegrafenis, samen met een aantal gestorven bemanningsleden. In totaal werden er 306 lichamen geborgen door dit schip. Later werden er nog 22 lichamen gevonden door nog 2 schepen zodat het totaal op 328 komt. Ook deze zijn naar Halifax gebracht
In totaal overleefden 706 van de 2223 opvarenden de ramp. 60% van de 1e klas passagiers werd gered, 42% van de 2e klas passagiers en slechts 25% van de 3e klas passagiers. Van de 899 bemanningsleden bleven er 214 in leven. Op 6 mei 2006 overleed Lillian Gertrud Asplund, de laatste overlevende die zich nog iets van de ramp kon herinneren. Er zijn nog twee officiële overlevenden van de ramp in leven: Barbara West die 10 maanden oud was, en Elizabeth Dean die met slechts 9 weken aan boord kwam.